Analyse · procedurele rechtsbescherming

Waarom kent de Wvggz geen hoger beroep?

De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg kent geen gewoon hoger beroep tegen een zorgmachtiging of crisismaatregel. Dat was niet altijd de bedoeling. In het oorspronkelijke wetsvoorstel zag de regering hoger beroep juist als versterking van de rechtspositie van de patiënt.

Wie door de rechtbank onder een machtiging voor verplichte zorg wordt geplaatst, kan niet naar het gerechtshof voor een volledige tweede beoordeling van de feiten. Hoogstens staat cassatie bij de Hoge Raad open.

Dat lijkt misschien een technisch procesrechtelijk detail. Dat is het niet. Het ontbreken van hoger beroep betekent dat één rechterlijke instantie in feite beslist over een maatregel die diep kan ingrijpen in iemands vrijheid, lichamelijke integriteit, woning, bewegingsvrijheid, medicatie en persoonlijke autonomie.

Oorspronkelijk wilde de regering juist wel hoger beroep

In de oorspronkelijke memorie van toelichting bij de Wvggz werd hoger beroep juist gepresenteerd als versterking van de rechtspositie van de patiënt.

De regering wees erop dat verplichte zorg een ernstige beperking van vrijheidsrechten kan betekenen en in veel gevallen ook een aantasting van de lichamelijke integriteit. Juist daarom zag zij aanvankelijk geen goede gronden om betrokkene het rechtsmiddel van hoger beroep te onthouden.

De regering erkende bovendien dat cassatie bij de Hoge Raad in de praktijk vaak geen inhoudelijk tweede oordeel oplevert. Cassatie is immers geen nieuwe feitelijke behandeling van de zaak. De Hoge Raad toetst vooral of het recht goed is toegepast en of de beslissing voldoende is gemotiveerd. De feiten worden niet opnieuw gewogen zoals in hoger beroep.

Daarom wilde het oorspronkelijke wetsvoorstel een rechterlijk oordeel in tweede instantie mogelijk maken. Ook wanneer de machtiging inmiddels was verstreken, moest het gerechtshof nog kunnen oordelen over de rechtmatigheid van de beslissing in eerste aanleg.

Dat uitgangspunt was helder: hoe ingrijpender de dwang, hoe sterker de rechtsbescherming zou moeten zijn.

De Raad van State stelde vragen

Later keerde de lijn. De Afdeling advisering van de Raad van State plaatste kanttekeningen bij de invoering van hoger beroep.

Die kritiek was niet principieel van aard. De Afdeling zei niet dat hoger beroep bij verplichte zorg onmogelijk of staatsrechtelijk onjuist zou zijn. Zij stelde vooral praktische en behandelingsgerichte vragen.

Volgens de Afdeling was onvoldoende aangetoond dat er in de praktijk behoefte bestond aan hoger beroep naast cassatie. Ook wees zij erop dat de termijn van een machtiging vaak al verstreken zou kunnen zijn voordat het gerechtshof uitspraak doet.

Het meest veelzeggend was het behandelingsargument. De Afdeling merkte op dat hoger beroep “kan ertoe leiden” dat de cliënt zich tijdens de periode van de zorgmachtiging blijft verzetten tegen behandeling. Vervolgens was volgens de Afdeling “het is de vraag of” de cliënt daardoor van de nodige zorg verstoken zou blijven.

Die formulering is belangrijk. De Afdeling sprak niet in termen van bewijs, maar in termen van mogelijkheid. Het ging dus niet om een empirisch aangetoond probleem, maar om een risicoveronderstelling.

Het behandelingsargument

Het behandelingsargument komt neer op deze redenering:

  1. Een cliënt stelt hoger beroep in.
  2. Daardoor blijft hij of zij mogelijk hopen dat de machtiging wordt vernietigd.
  3. Daardoor blijft hij of zij zich mogelijk verzetten tegen behandeling.
  4. Daardoor krijgt hij of zij mogelijk niet de nodige zorg.
  5. Daarom is hoger beroep onwenselijk of moet het worden geschrapt.

Dat is een paternalistische redenering. Rechtsbescherming wordt hier niet primair gezien als bescherming tegen staatsdwang, maar als mogelijke verstoring van de behandeling.

Met andere woorden: het probleem is niet dat de Staat dwang toepast op een burger zonder tweede feitelijke rechter. Het probleem wordt dat de burger door het rechtsmiddel misschien minder behandelbaar wordt.

Dat is precies de kern van het rechtsstatelijke probleem.

Rechtsbescherming wordt ondergeschikt aan behandelbaarheid

Het behandelingsargument laat zien hoe diep het behandelingsparadigma in de Wvggz is doorgedrongen: zelfs het recht op een tweede feitelijke rechter wordt beoordeeld naar de vraag of het de behandeling zou kunnen frustreren.

Maar een rechtsmiddel bestaat niet om behandeling soepel te laten verlopen. Een rechtsmiddel bestaat om machtsuitoefening te controleren.

Bij verplichte zorg gaat het om staatsdwang. De betrokkene kan worden opgenomen, beperkt, gecontroleerd, geïsoleerd of gedwongen medicatie krijgen. Juist in zo'n situatie zou de toegang tot een tweede feitelijke rechter vanzelfsprekend moeten zijn.

Dat geldt temeer omdat Wvggz-zaken sterk afhankelijk zijn van feitelijke inschattingen: ernstig nadeel, proportionaliteit, subsidiariteit, wilsbekwaam verzet, alternatieven, de betrouwbaarheid van de medische verklaring, de rol van familie, de feitelijke thuissituatie en de vraag of verplichte zorg werkelijk noodzakelijk is.

Dit zijn geen louter juridische vragen. Dit zijn feitelijke en normatieve beoordelingen. Precies daarom is cassatie onvoldoende.

Cassatie is geen hoger beroep

Cassatie bij de Hoge Raad is geen volwaardig alternatief voor hoger beroep.

In cassatie worden de feiten niet opnieuw onderzocht. De Hoge Raad hoort de zaak niet opnieuw zoals een gerechtshof dat zou doen. De Hoge Raad beoordeelt vooral of het recht goed is toegepast en of de beslissing begrijpelijk is gemotiveerd.

Dat kan belangrijk zijn, maar het is iets anders dan een tweede feitelijke beoordeling.

Voor iemand die zegt dat de feiten niet kloppen, dat de rechtbank de psychiater te gemakkelijk heeft gevolgd, dat alternatieven zijn genegeerd of dat het ernstig nadeel onvoldoende is onderbouwd, biedt cassatie maar beperkte bescherming.

Het oorspronkelijke wetsvoorstel erkende dat probleem. Juist daarom wilde de regering aanvankelijk hoger beroep mogelijk maken.

Het schrappen van hoger beroep

Na het advies van de Raad van State werd hoger beroep alsnog geschrapt. In de latere nota van wijziging werd vastgelegd dat tegen de zorgmachtiging geen hoger beroep kan worden ingesteld.

Wat begon als een rechtsbeschermende vernieuwing eindigde daarmee als een voortzetting van de oude Bopz-lijn: één feitelijke rechter, daarna hoogstens cassatie.

Later is die keuze opnieuw bevestigd. De minister stelde dat de evaluatie geen aanleiding gaf om het ontbreken van hoger beroep te herzien. De gedachte achter het ontbreken van hoger beroep zou zijn dat betrokkene op relatief korte termijn een definitief rechterlijk oordeel heeft. Cassatie blijft open.

Maar definitiviteit is niet hetzelfde als rechtsbescherming. Een snel definitief oordeel kan ook betekenen dat een onjuiste machtiging snel definitief wordt.

Wat betekent dit voor burgers?

Voor burgers betekent dit dat een zorgmachtiging of voortzetting van een crisismaatregel in de praktijk door één rechterlijke instantie feitelijk wordt beslist.

Als de rechtbank de medische verklaring volgt, de proportionaliteit summier motiveert of het verweer van betrokkene passeert, is er geen gerechtshof dat de zaak opnieuw feitelijk kan beoordelen.

Dat is ernstig, omdat Wvggz-beschikkingen vaak verregaande gevolgen hebben:

Juist bij zulke ingrijpende maatregelen hoort sterke rechtsbescherming. Eén feitelijke rechter is te weinig.

Conclusie

De uitsluiting van hoger beroep in de Wvggz is geen neutrale technische keuze. De wetsgeschiedenis laat zien dat hoger beroep oorspronkelijk juist werd gezien als noodzakelijke versterking van de patiëntpositie.

Het is later geschrapt onder invloed van uitvoerbaarheidsargumenten en een behandelingsargument: de vrees dat een cliënt zich door een lopend hoger beroep tegen behandeling zou blijven verzetten.

Daarmee werd rechtsbescherming beoordeeld vanuit het perspectief van zorguitvoering. Niet de controle op staatsdwang stond centraal, maar de vraag of het rechtsmiddel de behandeling zou kunnen verstoren.

Een rechtsstaat zou juist bij verplichte psychiatrische zorg moeten zeggen: hoe groter de dwang, hoe sterker de rechterlijke controle. De Wvggz doet het omgekeerde. Zij laat de meest ingrijpende beslissingen over vrijheid en lichamelijke integriteit grotendeels rusten op één feitelijke rechter.

Dat is geen detail. Dat is een structureel tekort in de rechtsbescherming.

Heeft u een Wvggz-beschikking zonder hoger beroep?

Bent u geconfronteerd met een zorgmachtiging of crisismaatregel en had u het gevoel dat de rechter uw verweer niet werkelijk onderzocht?

Meld uw beschikking voor documentatie van rechterlijke deferentie aan psychiatrische expertise.

Beschikking melden

Verder lezen

Bronnen