Testimonium · CIBU, vlucht en terugvoering
De verjaardag waarna ik uit de CIBU wegliep
Testimonium van R.
R. beschrijft hoe een verjaardag in de CIBU in Venray niet werd ervaren als een dag van bestaan, maar als een dag van verkleining, en hoe de begeleide wandeling de volgende dag omsloeg in vlucht, telex, politie-inzet, terugvoering en een nieuwe confrontatie met de macht van het dossier.
Ik herinnerde mij mijn verjaardag niet als een dag waarop ik ouder werd, maar als een dag waarop ik kleiner werd gemaakt.
Er zijn verjaardagen waarop iemand een hand geeft, een kaart neerlegt, een taart aansnijdt of ten minste doet alsof het bestaan van de ander even een reden tot menselijkheid is. In de CIBU in Venray, een GGZ-kliniek waar de muren niet alleen de ruimte begrensden maar ook de betekenis van wie ik nog mocht zijn, werd mijn verjaardag een dag van ontmenselijking. Niet door één groot gebaar, niet door één theatrale vernedering die later gemakkelijk in een klachtregel paste, maar door het alledaagse mechanisme waarmee een mens uit zijn eigen leven wordt weggeschreven: achteloosheid, bevelstaal, blikken die niet groeten, professionals die het woord zorg dragen alsof het een uniform is.
Ik was daar niet als gast, niet als burger, niet als iemand met een geschiedenis, een huis, een verjaardag, een naam en een innerlijke wereld. Ik was daar als dossier. Als risico. Als toestand. Als iemand over wie gesproken werd terwijl ik in dezelfde ruimte zat. Als iemand die voortdurend moest bewijzen dat hij mens genoeg was om naar de wc te gaan, te telefoneren, een sigaret te roken, een deur door te mogen of even buitenlucht te verdienen.
De vernedering zat niet alleen in wat er gebeurde, maar in de wijze waarop alles vanzelfsprekend werd gevonden. Alsof het normaal was dat een volwassene toestemming moest ontvangen voor beweging. Alsof vrijheid niet langer een grondrecht was, maar een gunst met voorwaarden.
De begeleide wandeling
De volgende dag kreeg ik een begeleide wandeling. Niet op mijn verjaardag.
Het woord wandeling klonk als buitenlucht, maar begeleid betekende dat die vrijheid onmiddellijk weer aan de ketting lag. Men noemde het misschien beweging of verlof, maar het was in werkelijkheid een wandeling onder toezicht. Men noemde het zorg, maar de structuur was die van bewaking. Ik liep naast iemand die niet naast mij liep als medemens, maar als functionele schaduw van het systeem. In elke stap voelde ik het onuitgesproken bevel: jij bent niet van jezelf.
Er was een ogenblik waarop de wereld zich opende. Niet groots, niet heroïsch, niet als in een film waarin muziek aanzwelt en iemand zijn ketenen verbreekt. Het was kleiner, lichamelijker, bijna primitief. Een opening in de routine. Een fractie waarin de begeleiding niet samenviel met de greep. Een paar meter ruimte. Een weg. Een richting. Een lichaam dat wist wat de geest al langer wist: ik moest weg.
Ik rende.
Ik rende niet omdat ik crimineel was. Ik rende niet omdat ik gevaarlijk was. Ik rende omdat ik in de kliniek niet langer kon ademen zonder dat mijn ademhaling geïnterpreteerd werd. Ik rende omdat ik niet nog een nacht in die vernedering wilde doorbrengen. Ik rende omdat mijn verjaardag, en daarna die wandeling onder toezicht, mij hadden laten zien dat het systeem niet alleen mijn vrijheid had ingenomen, maar ook mijn symbolische plaats in de wereld: mijn dag, mijn naam, mijn bestaan, mijn oikos.
Station Venray
De weg naar station Venray werd een corridor tussen twee werkelijkheden. Achter mij lag de kliniek met haar gangen, haar formulieren, haar observaties, haar vanzelfsprekende macht. Voor mij lag geen bevrijding in juridische zin, geen overwinning, geen veilige toekomst. Voor mij lag slechts afstand. Spoor. Lucht. De mogelijkheid om niet onmiddellijk opnieuw aangesproken te worden in de taal van stoornis, ernstig nadeel en noodzakelijke zorg.
Ik wist niet of ik rustig rende of panisch. Wie daarover achteraf zou schrijven, zou misschien woorden gebruiken die mij opnieuw zouden vastzetten: onttrekking, weglopen, ontregeling, vluchtgedrag. Maar voor mij was het een daad van zelfbehoud. Een lichaam dat het laatste restje waardigheid meenam voordat ook dat in een rapportzin zou verdwijnen.
Op station Venray stapte ik in de trein.
De trein was een wonderlijke plaats. Niemand wist waar ik vandaan kwam. Niemand vroeg naar mijn machtiging. Niemand keek naar mij alsof ik een object van klinisch toezicht was. Mensen zaten met tassen, telefoons, vermoeide gezichten. Er was het zachte schokken van de wagon, het voorbijglijden van Limburg, het gewone leven dat zich niets aantrok van de uitzonderingsstaat waarin ik terecht was gekomen. Voor anderen was het een rit. Voor mij was het een tijdelijk herstel van burgerschap. Ik was even niet opgesloten in een interpretatie. Ik was een reiziger.
Ik stapte uit in Blerick.
Boekend
Blerick was niet het beloofde land. Het was geen triomf. Maar het was buiten. Het was een plaats waar ik mijzelf weer kon verzamelen. Van daaruit vond ik een hotel in Boekend. Ik ging erheen om te overnachten, niet om te feesten, niet om mij te verstoppen in een criminele fantasie, maar om te herstellen van vernederingen die men in klinische taal waarschijnlijk niet als letsel zou erkennen.
Ik had rust nodig. Een bed dat niet als observatieplek voelde. Een deur die niet symbool stond voor bevoegdheden. Een kamer waar ik niet telkens hoefde te bewijzen dat mijn stilte geen symptoom was.
In dat hotel in Boekend begon de terugkeer naar mijzelf niet met grote gedachten, maar met kleine dingen. Een kamer. Een sleutel. Een bed. De simpele mogelijkheid om even niets te hoeven uitleggen. Ik was moe op een manier die dieper ging dan lichamelijke vermoeidheid. Het was de moeheid van iemand die te lang had moeten leven onder andermans duidingen. De moeheid van iemand die voortdurend was bekeken zonder werkelijk gezien te worden.
Ik wist dat men mij zou zoeken. Ik wist dat het systeem niet licht verdraagt dat iemand uit zijn raster valt. Later hoorde ik dat ik op de telex was gezet. Dat woord had een oude, bijna bureaucratisch-militaire klank. Telex. Alsof mijn persoon tot bericht was teruggebracht. Alsof er ergens een signaal door een netwerk ging: deze man hoort niet buiten te zijn; deze man moet terug in het systeem worden geplaatst.
Oikos
De volgende dag ging ik naar huis.
Thuis was niet zomaar een adres. Thuis was oikos: huis als oorsprong, als orde, als grondvorm van autonomie. In een kliniek wordt de mens losgemaakt van zijn oikos. Zijn eigen ritme wordt vervangen door roosters. Zijn eigen spullen worden verdacht. Zijn eigen keuzes worden gemedicaliseerd. Zijn eigen taal wordt tegen hem gebruikt.
Wie thuiskomt na institutionele vernedering, ziet de kamers anders. Alles vraagt om herstel. Niet alleen de vloer, de tafel, de post, de afwas of de lucht in de woning, maar de symbolische orde zelf: dit was mijn huis, mijn ruimte, mijn rechtsgebied, mijn kleine republiek.
Ik maakte mijn huis op orde.
Dat klinkt eenvoudig, maar het was voor mij een daad met bijna constitutionele betekenis. Ik ruimde op. Ik herstelde lijnen. Ik bracht dingen terug naar hun plaats. Niet omdat ik een huishoudelijke bevlieging had, maar omdat ik mijzelf opnieuw in de wereld moest plaatsen. De oikos was het tegendeel van de kliniek. De kliniek reduceerde mij tot casus; het huis herinnerde mij eraan dat ik een leven had.
Maar de macht volgt iemand tot aan de voordeur.
De deur
Later die avond belde de politie aan. Ik wist wat het betekende. De telex had mijn huis bereikt. De taal van de kliniek was overgegaan in de taal van de politie. Wat eerst zorg heette, stond nu buiten met bevoegdheden, schoenen, stemmen en dwang.
Ik deed niet open. Niet uit agressie. Niet uit minachting voor de wet. Ik deed niet open omdat ik wist dat de deur niet langer een gewone deur was. Zij was de grens tussen mijn oikos en de uitzonderingstoestand.
Ik trok mij terug in de slaapkamer en sloot mij daar op.
Daar, in die kamer, werd het huis kleiner. De woning die even een herstelplaats was geweest, werd een belegerde ruimte. Ik voelde de oude spanning terugkeren: de spanning van een systeem dat niet vraagt, maar komt halen. Ik wist dat men mijn weigering zou uitleggen op een manier die het ingrijpen legitimeerde. Alles wat ik deed, kon tegen mij worden gebruikt. De stilte. De deur. De slaapkamer. De angst. Zelfs mijn poging om mijzelf te beschermen kon worden herschreven als bewijs dat bescherming tegen mijzelf nodig was.
Toen forceerde de politie de deur.
Het geluid van een geforceerde deur heeft een eigen grammatica. Het is geen geluid dat alleen hout en metaal betreft. Het is het geluid waarmee de staat een woning binnentreedt en zegt: uw grens geldt nu niet. De deur brak niet alleen in fysieke zin. Er brak ook iets in de verhouding tussen burger en overheid.
Terugvoering
Ik werd hardhandig meegenomen. De agent die mij meenam, kwam op mij over als onbeschoft, ruw en provocerend. Hij behoorde, zoals ik het begreep, tot het korps of werkgebied Peel en Maas. Zijn houding had niets van de-escalatie, niets van begrip voor iemand die net uit een psychiatrische vernederingsmachine was gevlucht, niets van het besef dat een mens in crisis niet minder recht heeft op respect.
Ik werd vervoerd alsof ik een last was. Niet als iemand die een klacht had over zijn behandeling, niet als iemand die zojuist zijn verjaardag onder vernederende omstandigheden had beleefd, niet als iemand die naar huis was gegaan om orde te herstellen, maar als een probleem dat moest worden teruggebracht naar de plek waar het probleem administratief hoorde.
De rit terug naar Venray vond plaats in de nacht.
Het donker had iets absurds. Agenten die mij kwamen halen namens een systeem dat beweerde te weten waar ik hoorde, konden in de nacht de kliniek niet vinden. Zij reden, zochten, aarzelden, keken. De macht had de bevoegdheid om mij uit mijn huis te halen, maar wist de weg naar haar eigen bestemming niet. Uiteindelijk vroegen zij mij de weg.
Ik antwoordde: "Dat weet ik niet."
Het was geen groot verzet. Het was geen heldendaad. Het was een zin. Maar in die zin zat alles: mijn weigering om gids te worden van mijn eigen terugvoering, mijn weigering om de logistiek van mijn onvrijheid te faciliteren, mijn weigering om behulpzaam te zijn aan een procedure die mij zojuist uit mijn huis had gescheurd. Misschien wist ik het werkelijk niet precies. Misschien wist ik vooral dat ik het niet wilde weten. In elk geval was die zin voor mij het laatste stukje innerlijke ruimte dat nog niet was ingenomen.
Daarop stapte de agent uit. Hij begon mij, zoals ik het heb ervaren, te provoceren met beledigende taal. Hij zei, of woorden van die strekking: "We hebben toch wel wat beters te doen dan u te vervoeren."
Die zin bleef hangen. Niet omdat hij uitzonderlijk was, maar juist omdat hij zo veelzeggend was. In één opmerking werd ik niet alleen vervoerd, maar ook gedegradeerd tot hinder. Mijn gedwongen terugkeer was voor hem blijkbaar geen ernstig moment in het leven van een burger, geen vrijheidsbeneming met zware morele lading, maar een irritante klus. Alsof ik mijn eigen onvrijheid had georganiseerd om zijn avond te verstoren. Alsof mijn bestaan administratieve overlast was.
Ik dacht: dit is hoe systemen spreken wanneer zij zich onbespied wanen. Niet in beleidstaal, niet in folders over zorg en veiligheid, niet in evaluatierapporten, maar in de donkere rit terug, wanneer de burger achterin zit en de macht voorin moppert omdat zij haar bestemming niet kan vinden.
Terug in de kliniek
Toen wij eindelijk bij de kliniek kwamen, was het nachtelijk Venray donker en zwijgend. De CIBU lag daar als een gebouw dat zichzelf niet hoefde te verantwoorden. Binnen stond bij de opname een zorgbeveiliger. Een grote man, fysiek genoeg om nog voordat hij iets deed duidelijk te maken dat het lichaam van de instelling groter was dan het mijne. Toch verliep de opname rustig. Misschien omdat ik uitgeput was. Misschien omdat ik wist dat ieder gebaar tegen mij gebruikt kon worden. Misschien omdat zelfs verzet soms beseft dat het geen ruimte meer heeft.
Ik werd opnieuw opgenomen.
Er was geen triomf van de zorg. Er was slechts terugplaatsing. Ik was weer binnen. De vlucht had het systeem niet vernietigd. Zij had het niet juridisch verslagen. Zij had geen machtiging doen verdampen, geen protocol doen beven. Maar zij had iets anders bewezen, iets wat in dossiers zelden wordt begrepen: dat een mens soms moet weglopen om niet volledig te verdwijnen.
Wat men vlucht noemt, kan ook een getuigenis zijn. Wat men onttrekking noemt, kan ook een noodsignaal zijn. Wat men gebrek aan ziektebesef noemt, kan soms een scherp besef zijn van institutionele vernedering. Wat men risico noemt, kan de schaduw zijn van een systeem dat zelf risico produceert door mensen te breken en vervolgens hun breuk als symptoom te registreren.
Enkele weken later
Na een paar weken werd ik alsnog ontslagen.
Dat einde had iets wrangs. Als ik zo gevaarlijk was dat ik op de telex moest worden gezet, als mijn terugvoering zo dringend was dat de politie mijn deur moest forceren, als mijn verblijf buiten de kliniek werkelijk zo onaanvaardbaar was, waarom kon ik dan enkele weken later alsnog weg? Welke waarheid veranderde in die weken? Was ik plotseling hersteld, of was de eerdere dwang minder noodzakelijk dan men deed voorkomen? Was de vlucht bewijs van ziekte, of juist bewijs dat mijn waardigheid nog leefde?
Ik kreeg op die vragen geen antwoord dat de vernedering ophief.
Wat bleef, was de herinnering aan een verjaardag die geen verjaardag mocht zijn. De herinnering aan een begeleide wandeling de volgende dag, vrijheid in naam maar toezicht in vorm. De herinnering aan rennen richting station Venray. De trein naar Blerick. Het hotel in Boekend. De kamer waarin ik even niet werd geobserveerd. De terugkeer naar huis. Het op orde brengen van mijn oikos. Het aanbellen van de politie. De slaapkamer als laatste grens. De geforceerde deur. De harde handen. De nachtelijke rit. De agent die mij liet voelen dat mijn vervoer hem hinderde. De absurditeit dat de macht mij de weg vroeg naar de plek waar zij mij wilde opsluiten.
Vlucht als aanklacht
Ik schrijf dit niet om mijn vlucht te romantiseren. Ik schrijf dit omdat de geschiedenis van dwangzorg vaak wordt verteld vanuit het perspectief van degenen die formulieren invullen, machtigingen vragen, incidenten registreren en achteraf verklaren dat alles noodzakelijk was.
Maar er bestaat ook een andere geschiedenis: die van de betrokkene die het ondergaat. De geschiedenis van vernedering, schaamte, woede, angst, uitputting en de koppige wil om niet tot dossier te worden herleid.
De volgende dag liep ik weg uit de CIBU in Venray. In de taal van het systeem was dat misschien een incident. In mijn taal was het een tragische poging om mens te blijven.
Als Recht op Geest ergens voor moet staan, dan hiervoor: dat de vlucht van een mens uit vernedering niet onmiddellijk als symptoom wordt gelezen, maar eerst als aanklacht.
Heeft u een Wvggz-ervaring die iets laat zien over dwang, terugvoering of bejegening?
Recht op Geest documenteert ervaringen rond psychiatrische dwang, medische verklaringen, politie-inzet, rechterlijke toetsing en tegenspraak.