Testimonium · Wvggz en rechtsbescherming
Een mooi land
Testimonium van R.
R. beschrijft hoe een mooi, ordelijk land tegelijk slechte psychiatrie, slechte rechtsbescherming, slechte rechtspraak en beschadigende dwangervaringen kan voortbrengen wanneer zorgtaal macht wordt, het dossier de mens overschrijft en het officiële geheugen van de procedure selectief wordt.
Ik had altijd in een mooi land gewoond. Dat was het eerste wat ik later, toen ik probeerde te begrijpen wat mij was overkomen, niet wilde vergeten. Ik had gewoond tussen rivieren die traag door de vlakte trokken, tussen fietspaden, heggen, kerktorens, regen op straatstenen, avondlicht boven de Maas en rechtbanken die er van buiten uitzagen alsof de rede daar een vaste woonplaats had. Het land had mij jarenlang gerustgesteld met zijn orde. Er waren formulieren, loketten, bezwaarprocedures, spreekkamers, wachtruimtes, folders over eigen regie, websites over rechtsbescherming, advocaten met toga’s en rechters die spraken namens de wet. Alles leek hier geregeld te zijn. Juist dat was later het angstaanjagende: ook vernedering kon geregeld zijn. Ook dwang kon netjes geadministreerd worden. Ook onrecht kon in correcte zinnen verschijnen.
Ik had van dit land gehouden op de manier waarop men houdt van iets dat vanzelfsprekend lijkt. Ik had gehouden van de grijze luchten, van het milde licht boven de uiterwaarden, van de bibliotheken, de stations, de markten, de rustige dorpen waar de tijd soms leek te aarzelen. Ik had mij vaak geërgerd aan Nederland, maar ergernis was nog een vorm van verbondenheid geweest. Pas later had ik geleerd dat een land tegelijk mooi en hard kon zijn. Een land kon goede wegen hebben en slechte psychiatrie. Een land kon een verzorgingsstaat hebben en slechte rechtsbescherming. Een land kon mensen toespreken met de taal van zorg en hen toch behandelen als objecten van beheer. Een land kon zichzelf beschaafd noemen en achter gesloten deuren ervaringen mogelijk maken die men buiten die deuren nauwelijks durfde te beschrijven.
Ik had dat niet in één keer begrepen. Eerst dacht ik dat er sprake was van een misverstand. Daarna dacht ik dat er sprake was van haast, van overbelasting, van een paar functionarissen die hun werk slecht deden. Pas later zag ik hoe diep het probleem zat. Het ging niet alleen om één kliniek, één arts, één rechter of één beschikking. Het ging om een samenloop van instellingen die elkaar bevestigden. De psychiatrie leverde de taal. De juridische procedure leverde de vorm. De kliniek leverde de macht. De rechterlijke beschikking leverde de legitimiteit. En ik, de persoon om wie het zou gaan, werd in dat geheel steeds kleiner. Ik werd betrokkene, patiënt, risico, stoornisdrager, iemand met beperkt ziekte-inzicht, iemand over wie men sprak alsof mijn eigen woorden slechts symptomen waren.
Ik had mij nooit voorgesteld hoe snel men uit de wereld van de gewone burger kon vallen. Op een dag had ik nog een naam, een verleden, herinneringen, fouten, boeken, angsten, voorkeuren, schaamtes, gedachten en redenen. Kort daarna werd ik beschreven in termen die niet van mij waren. Betrokkene ontkende. Betrokkene toonde achterdocht. Betrokkene werkte onvoldoende mee. Betrokkene had geen ziektebesef. Betrokkene vormde mogelijk ernstig nadeel. Dat woord, betrokkene, klonk mild en administratief, maar het werkte vervreemdend. Het sneed mijn naam uit de zin. Het maakte mij procedureel aanwezig en menselijk afwezig. De taal deed alsof zij neutraal was, maar zij had mij al verplaatst naar de kant van het probleem.
Toen ik voor het eerst in de kliniek terechtkwam, had ik nog gedacht dat uitleg verschil zou maken. Ik had gedacht dat men zou vragen wat er was gebeurd, welke omstandigheden een rol hadden gespeeld, wat ik had bedoeld, waar ik bang voor was, wat mij kon helpen. Ik had gedacht dat mijn verhaal nodig was om mij te begrijpen. Maar in de kliniek merkte ik dat mijn verhaal niet het centrum was. Het centrum was observatie. Men observeerde mijn toon, mijn blik, mijn slaap, mijn loop, mijn weigering, mijn bereidheid, mijn stiltes. Alles werd teken. Als ik veel sprak, sprak ik te veel. Als ik zweeg, trok ik mij terug. Als ik protesteerde, had ik geen ziekte-inzicht. Als ik rustig bleef, was mijn rust verdacht. Als ik boos werd, bevestigde ik het dossier. Als ik mij neerlegde bij de situatie, werkte de behandeling. Ik bevond mij in een taalspel waarin iedere zet al door de tegenpartij was voorbereid.
De kliniek had niet geleken op de publieke voorstelling van zorg. Zij had niet geleken op folders met woorden als herstel, nabijheid, autonomie en eigen regie. De kliniek had geleken op een gebouw waar gewone menselijke afhankelijkheid werd omgezet in macht. De gangen waren schoon, maar de atmosfeer was vuil van onvrijheid. De deuren sloten met een geluid dat ik later nog in mijn lichaam hoorde. Er waren medewerkers die vriendelijk konden zijn, maar de vriendelijkheid maakte de dwang niet minder. Soms maakte zij haar juist onbegrijpelijker. Een zachte stem die zei dat iets nu eenmaal moest gebeuren, kon harder aankomen dan geschreeuw. Beleefdheid werd een verpakking rond geweld.
Ik had daar geleerd dat dwang niet alleen bestond uit grote ingrepen. Dwang was niet alleen vastpakken, insluiten of medicatie toedienen. Dwang bestond ook uit wachten zonder uitleg. Uit moeten vragen om gewone dingen. Uit afhankelijk zijn van een pasje dat iemand anders bezat. Uit een deur die niet openging. Uit de mededeling dat de arts straks kwam, terwijl straks een elastisch begrip bleek. Uit een gesprek waarin men mijn woorden opschreef, maar niet vertelde wat men ermee deed. Uit het gevoel dat alles wat ik zei later terug kon keren als bewijs tegen mij. De dwang zat niet alleen in het bevel, maar in de voortdurende mogelijkheid van het bevel.
Ik had mij in de kliniek soms minder mens gevoeld dan dossier. Niet omdat iedereen wreed was, maar omdat de structuur wreedheid mogelijk maakte zonder dat iemand zich wreed hoefde te voelen. Men kon zeggen dat men het beste met mij voorhad. Men kon zeggen dat het voor mijn veiligheid was. Men kon zeggen dat het protocol gevolgd werd. Men kon zeggen dat het beleid was. Zulke zinnen waren muren. Zij ontsloegen de spreker van het werkelijk antwoorden. Als iets beleid was, hoefde niemand nog te zeggen waarom het in mijn geval rechtvaardig was. Als iets in het dossier stond, hoefde niemand nog te vragen of het dossier misschien onvolledig of vooringenomen was.
Het meest vernederende was het verlies van status. Ik had mij een burger gevoeld, iemand met rechten, met een stem, met toegang tot tegenspraak. In de kliniek werd ik een tijdelijke uitzondering op de rechtsstaat. Niet helemaal rechteloos, want er waren folders over rechten. Niet helemaal stemloos, want er was een patiëntenvertrouwenspersoon. Niet helemaal buiten de wet, want er was een rechter. Maar die rechten leken vaak op ramen waarachter niemand stond. Zij bestonden, maar men moest er in een toestand van stress, angst, afhankelijkheid en vaak zonder volledig dossier zelf vorm aan geven. Wie onder dwang stond, moest plotseling juridisch scherp zijn. Wie ontregeld werd genoemd, moest bewijzen dat de ontregeling mede door dwang werd veroorzaakt. Wie bang was, moest aantonen dat zijn angst niet slechts symptoom was.
Ik had lange tijd een bijna ouderwets vertrouwen gehad in de rechtspraak. Niet naïef misschien, maar toch met het gevoel dat de rechter uiteindelijk de plek was waar de macht moest uitleggen waarom zij macht gebruikte. De rechter zou onafhankelijk zijn. De rechter zou niet in dienst zijn van de instelling. De rechter zou vragen naar feiten, naar alternatieven, naar proportionaliteit, naar subsidiariteit, naar mijn stem. De rechter zou de plaats zijn waar het dossier weer werd opengebroken en de mens opnieuw zichtbaar kon worden.
Dat vertrouwen had mij veel gekost. Want de Wvggz-zitting die ik meemaakte, had iets haastigs, iets administratiefs, iets klinisch, ook wanneer de taal beleefd bleef. De stukken lagen er al. De medische verklaring lag er al. De termen lagen er al. Het ernstige nadeel leek er al te liggen voordat ik het had kunnen betwisten. De procedure sprak over zorgmachtiging, verplichte zorg, psychische stoornis, ernstig nadeel, proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Het waren grote woorden, maar ik voelde hoe klein de feitelijke opening was waar mijn verhaal doorheen moest.
Ik had niet het gevoel dat ik tegenover een gelijke partij stond. De instelling kwam met professionals, rapportages, diagnosewoorden, observaties, aannames en een routine die vertrouwd was voor iedereen in de zaal behalve voor mij. Ik kwam met herinnering, verontwaardiging, angst, soms scherpte, soms vermoeidheid, soms wantrouwen dat door de situatie zelf werd gevoed. Mijn advocaat kon slechts werken binnen de beperkte ruimte die de procedure bood. Zelfs goede rechtsbijstand moest opereren in een veld dat al hellend was. De psychiatrische taal had een zwaarte die mijn gewone taal niet had. Als een arts zei dat er sprake was van ontregeling, klonk dat objectief. Als ik zei dat ik door de dwang werd ontregeld, klonk dat subjectief. Als de instelling zei dat medicatie noodzakelijk was, klonk dat medisch. Als ik zei dat medicatie mij beschadigde, afvlakte of vernederde, klonk dat als weerstand.
Sommige rechterlijke momenten waren mij bijgebleven als kleine zinnen met een grote lading. Zij waren geen literaire verzinsels geweest. Ik had ze niet bedacht om het verhaal dramatischer te maken. Zij waren gebeurd, en juist omdat ze terloops waren uitgesproken, hadden ze mij iets geleerd over de atmosfeer waarin over mijn vrijheid werd beslist. Bij het binnenkomen had een rechter gezegd: “We zullen elkaar toch geen mietje noemen?” Ik had geantwoord: “Bent u een mietje dan?” Het was een reflex geweest, misschien te scherp, maar ook een poging om de vernedering terug te leggen waar zij vandaan kwam. Daarna had de rechter iets tegen de griffier gezegd in de trant van: “Niet vermelden.” Die twee woorden hadden mij nog meer geraakt dan de eerste opmerking. Niet vermelden. Alsof de werkelijkheid die niet in het proces-verbaal paste, eenvoudig uit de rechtsstaat kon worden weggelaten. Alsof de waardigheid van de zitting werd beschermd door het spoor van de vernedering uit te wissen.
Ik had later vaak aan dat moment gedacht. Niet omdat het woord zelf het ergste was. Ik had in mijn leven ergere woorden gehoord. Maar in een rechtszaal of zittingsruimte heeft ieder woord een andere soort zwaarte. Daar spreekt niet zomaar iemand. Daar spreekt iemand die in naam van de wet over vrijheid kan beslissen. Wanneer zo iemand denigrerend begint, wordt de asymmetrie onmiddellijk lichamelijk voelbaar. Ik stond daar niet als gelijke gesprekspartner. Ik stond daar als degene over wie beslist kon worden. Mijn antwoord kon worden gelezen als brutaliteit, als gebrek aan inzicht, als onvoldoende decorum. De opmerking van de rechter kon verdwijnen in het niet-vermelden. Dat was de asymmetrie in haar meest zuivere vorm.
Een andere rechter had mijn rustige gedrag verdacht gemaakt. Ik had daar gezeten en geprobeerd mij te beheersen. Ik had geleerd dat boosheid tegen mij gebruikt kon worden. Ik had geleerd dat emotie pathologisch kon worden gelezen. Dus ik had geprobeerd rustig te spreken, rustig te zitten, rustig te blijven. Na afloop had de rechter een opmerking gemaakt in de trant van: “Ja, u zit daar nu wel zo rustig, maar ik beslis…” De zin had mij koud gemaakt. Mijn rust was geen teken van zelfbeheersing, geen teken dat ik de procedure serieus nam, geen teken dat ik geprobeerd had fatsoenlijk deel te nemen. Mijn rust werd een verdacht oppervlak waaronder kennelijk iets anders schuilging. Ik had niets kunnen doen dat veilig was. Onrust bevestigde het dossier. Rust bevestigde blijkbaar de argwaan.
Dat was voor mij een van de diepste vernederingen van de psychiatrische rechtsgang: het ontbreken van een neutrale houding voor de betrokkene. Alles kon tegen mij worden gebruikt. Als ik heftig protesteerde, was dat ziekte of gevaar. Als ik rustig was, was dat mogelijk manipulatief, latent, verdacht of onvoldoende geruststellend. De rechterlijke blik werd dan niet langer een toetsende blik, maar een psychiatriserende blik. Zij keek niet alleen naar wat ik zei, maar naar wat mijn gedrag volgens het dossier zou kunnen betekenen. De rechtszaal werd daardoor een verlengstuk van de kliniek. De toga en de diagnose raakten elkaar.
Nog een andere rechter had gezegd: “Bij u is de stoornis latent.” Ik had geantwoord: “Dat is bij iedereen zo.” De rechter ontkende dat. Maar ik had gedacht aan het bekende verhaal van Schreber, aan de geschiedenis van de psychiatrie, aan de fragiliteit van elke menselijke geest, aan de dunne laag beschaving boven angst, obsessie, kwetsbaarheid, grootheidsfantasie, wanhoop en wantrouwen. Wie durfde werkelijk te zeggen dat latentie slechts bij de patiënt hoorde? Wie kon met absolute zekerheid spreken over een stoornis die niet zichtbaar was, maar toch als dreiging in mij aanwezig zou zijn? Het begrip latent leek mij een sleutel waarmee men elke deur kon openen. Als de stoornis zichtbaar was, bewees zij zichzelf. Als zij niet zichtbaar was, was zij latent. Daarmee werd weerbaarheid onmogelijk. Afwezig bewijs werd dan niet langer ontlastend, maar bevestigend.
Mijn antwoord was niet bedoeld als grap alleen. Het was een poging om de menselijke conditie terug te brengen in een procedure die mij als uitzondering behandelde. Natuurlijk kon ieder mens ontregelen. Natuurlijk kon ieder mens onder voldoende druk breken. Natuurlijk waren er in ieder leven latente mogelijkheden tot angst, achterdocht, razernij, dwaling, verdriet en waan. De vraag was niet of zulke mogelijkheden abstract bestonden. De vraag was of zij in mijn concrete geval een vrijheidsbeneming of dwangmedicatie konden rechtvaardigen. Door het woord latent te gebruiken, schoof de rechtspraak voor mijn gevoel van concrete feiten naar een mogelijke toekomst, van bewijs naar vermoeden, van gedrag naar aanleg. Dat was precies het terrein waarop macht het gevaarlijkst werd.
Ik had daardoor geleerd dat slechte rechtspraak niet altijd bestond uit grote juridische fouten die eenvoudig konden worden aangewezen. Zij kon ook bestaan uit toon, suggestie, kleine opmerkingen, een lach, een blik naar de griffier, een zin die niet werd genoteerd, een interpretatie van rust als verdacht, een begrip als latent dat de concrete werkelijkheid verving. De beschikking zelf kon later keurig zijn. De bewoordingen konden juridisch beheerst zijn. Maar de ervaring van de zitting had al iets anders laten zien: een sfeer waarin mijn persoon niet werkelijk op gelijke hoogte werd genomen.
Ik had mij vaak afgevraagd wat het betekent wanneer een rechter iets zegt dat niet vermeld moet worden. Het proces-verbaal is het geheugen van de procedure. Als daarin alleen past wat de macht zichzelf toestaat te herinneren, dan heeft de betrokkene een probleem. Mijn herinnering werd dan een privé-archief tegenover het officiële archief. Het officiële archief zei later misschien niets over de denigrerende opmerking. Mijn lichaam wist echter dat zij was uitgesproken. Mijn verontwaardiging wist het. Mijn wantrouwen wist het. En wanneer ik dat wantrouwen later uitte, kon het opnieuw als symptoom verschijnen. Zo sloot de cirkel zich. De gebeurtenis werd niet genoteerd; de reactie op de gebeurtenis werd wel geïnterpreteerd.
Dat was een van de redenen waarom ik dit testimonium schreef. Ik wilde een tegenarchief maken. Niet omdat mijn herinnering volmaakt was, maar omdat het officiële geheugen te vaak onvolledig was. Dwangervaringen verdwijnen gemakkelijk uit documenten. Vernederingen worden afgezwakt. Opmerkingen worden niet vermeld. Lichamelijke angst wordt vertaald naar onrust. Protest wordt vertaald naar gebrek aan inzicht. Stilte wordt vertaald naar terugtrekking. Rust wordt vertaald naar latent gevaar. Een testimonium was een poging om terug te vertalen. Het gaf de woorden terug aan de plaats waar zij vandaan kwamen: aan mijn ervaring.
In de kliniek had ik ook ervaren hoe medicatie in de dwangcontext iets anders werd dan behandeling. Ik had niet ontkend dat psychofarmaca effecten hadden. Natuurlijk hadden ze effecten. Ze grepen in op slaap, beweging, spanning, seksualiteit, eetlust, gevoel, concentratie, tempo en de kleur van de dag. Zij hadden neurologische en psychoactieve effecten. Maar het feit dat een middel effect had, betekende nog niet dat het het gewenste effect had. Het betekende niet dat het de oorzaak raakte. Het betekende niet dat het mijn betekeniswereld begreep. Het betekende niet dat het proportioneel was om het onder dwang toe te dienen. In mijn ervaring werd medicatie vaak behandeld alsof zij vanzelfsprekend rationeel was en weigering vanzelfsprekend irrationeel. Maar weigering kon ook een redelijke reactie zijn op eerdere schade, op bijwerkingen, op verlies van eigenheid, op het gevoel dat een stof niet werd aangeboden om mij te begrijpen, maar om mij beheersbaar te maken.
Ik had mij verzet tegen de vanzelfsprekendheid waarmee men een complex menselijk conflict in neurochemische termen kon verpakken. De geschiedenis had nog nooit overtuigend bewezen dat mijn concrete lijden simpelweg een meetbare chemische onbalans was die door medicatie gecorrigeerd moest worden. Toch hing die gedachte vaak als onuitgesproken achtergrond in de kamer. De stof moest de stoornis dempen, de weigering bewees gebrek aan inzicht, de gehoorzaamheid werd therapietrouw genoemd. Maar wat als het middel mij vooral stiller maakte? Wat als het gewenste effect vooral het gewenste effect van de omgeving was? Wat als herstel in het dossier betekende dat ik minder stoorde, minder vroeg, minder protesteerde, minder zichtbaar leed?
De slechtste psychiatrie was voor mij niet de psychiatrie die onzeker was. De slechtste psychiatrie was de psychiatrie die haar onzekerheid verborg. Ik had meer vertrouwen gehad in een arts die zei: “Wij weten het niet zeker, dus wij moeten voorzichtig zijn,” dan in een arts die onder tijdsdruk grote conclusies trok uit beperkte waarneming. Ik had meer vertrouwen gehad in een rechter die zei: “Ik zie dat de medische taal niet hetzelfde is als waarheid,” dan in een rechter die de medische premissen bijna automatisch in juridische conclusies vertaalde. Ik had meer vertrouwen gehad in een systeem dat dwang als mogelijk falen beschouwde, niet als normale schakel in een zorgketen.
Wat mij bleef kwellen, was dat de rechtspraak vaak deed alsof zij onafhankelijk toetste, terwijl zij in werkelijkheid sterk afhankelijk bleef van psychiatrische taal. De rechter was geen psychiater, zei men, en moest dus varen op deskundigen. Maar juist daardoor ontstond een cirkel. De psychiater benoemde het probleem. De instelling beschreef het risico. De rechter toetste de juridische vorm. Mijn tegenverhaal werd alleen serieus genomen voor zover het paste in de categorieën die al klaar lagen. Ik had willen zeggen dat mijn ervaring niet alleen een symptoom was, maar ook een getuigenis over wat dwang met een mens deed. Ik had willen zeggen dat mijn verzet niet het tegendeel van inzicht was, maar soms de laatste vorm ervan.
Het ontbreken van hoger beroep had in dat licht extra zwaar gewogen. Bij een beslissing die zo diep in het leven ingrijpt, had ik verwacht dat er een volle tweede beoordeling mogelijk zou zijn. Niet alleen cassatie op rechtsvragen, maar een nieuwe blik op feiten, toon, proportionaliteit, mensbeeld en dossier. Als een rechterlijke zitting in minuten over maanden van vrijheid kon beslissen, dan moest er ten minste een tweede rechterlijke werkelijkheid mogelijk zijn. Het idee dat zo’n machtiging vrijwel meteen haar werking kon hebben, terwijl de betrokkene daarna hoogstens nog via ingewikkelde juridische routes kon klagen, had mij het gevoel gegeven dat rechtsbescherming vooral achteraf bestond. Maar dwang werkt vooraf, tijdens en in het lichaam. Een klacht achteraf maakt de deur die gisteren gesloten bleef niet alsnog open.
Ik had ook geleerd dat de kliniek en de rechtbank elkaar konden versterken zonder dat iemand dat als probleem zag. Wat in de kliniek als observatie begon, werd in de rechtbank feit. Wat in de rechtbank als machtiging werd uitgesproken, werd in de kliniek uitvoeringsruimte. Wat ik in de kliniek ervoer als vernedering, werd in de rechtbank niet altijd zichtbaar. Wat ik in de rechtbank ervoer als ongelijke behandeling, werd in de kliniek later misschien weer gelezen als wantrouwen. Zo werd mijn eigen reactie op macht telkens onderdeel van de rechtvaardiging van meer macht.
De opmerking “niet vermelden” werd voor mij een symbool van die hele keten. Er was een werkelijkheid die niet in het dossier mocht. Er was een toon die buiten de beschikking bleef. Er was een vernedering die procedureel niet bestond. En toch werkte zij door. Zij werkte door in mijn vertrouwen, in mijn bereidheid om opnieuw te verschijnen, in mijn houding tegenover advocaten, artsen, rechters en formulieren. Zij werkte door in de manier waarop ik later elk officieel document las, met de vraag: wat staat hier niet? Welke woorden zijn verdwenen? Welke blikken, zuchten, terloopse opmerkingen, machtsspelletjes en vernederingen zijn uit deze keurige taal gewassen?
Ik had Nederland daarna anders gezien. De dijken stonden er nog. De fietspaden lagen er nog. De vlaggen bij rechtbanken bewogen nog steeds in de wind. De websites van instellingen spraken nog steeds over herstel en eigen regie. Maar onder dat alles wist ik nu dat er kamers waren waar mensen wachtten op toestemming om naar buiten te gaan. Ik wist dat er zittingen waren waarin iemand rustig kon zitten en juist daarom verdacht werd. Ik wist dat er rechterlijke opmerkingen waren die kennelijk niet vermeld hoefden te worden. Ik wist dat het woord latent iemand kon achtervolgen juist wanneer hij niets deed dat dwang rechtvaardigde. Ik wist dat een mooi land zichzelf mooi kon blijven noemen terwijl het zijn kwetsbaarste burgers behandelde als beheersproblemen.
Dat inzicht had mij niet cynisch willen maken, maar het had mij wel harder gemaakt. Niet hard tegenover mensen die leden, maar hard tegenover instituties die hun macht te weinig wantrouwden. Ik wilde niet langer tevreden zijn met de zin dat alles volgens de wet was gegaan. Ook vernedering kon volgens de wet worden verpakt. Ook slechte bejegening kon verdwijnen achter een nette beschikking. Ook dwang kon geprotocolleerd, geëvalueerd en gelegitimeerd worden zonder ooit werkelijk te worden gevoeld door degene die haar goedkeurde. De vraag was niet alleen of de wet gevolgd was. De vraag was of de wet sterk genoeg was om mensen te beschermen tegen de macht die zij zelf mogelijk maakte.
Ik had vaak aan rechtsbescherming gedacht. Het woord klonk stevig, alsof er een dak boven je stond. Maar in mijn ervaring was rechtsbescherming in de Wvggz vaak een smalle luifel in slagregen. Er was een advocaat, maar soms te laat en met te weinig tijd. Er was een rechter, maar vaak afhankelijk van medische taal. Er was cassatie, maar geen volle herbeoordeling. Er was een patiëntenvertrouwenspersoon, maar die kon de deur niet openen. Er waren klachtenprocedures, maar die kwamen vaak achteraf, wanneer de dwang al door het lichaam heen was gegaan. Er waren rechten, maar rechten zonder praktische kracht leken op bordjes met “nooduitgang” boven deuren die alleen van buitenaf open konden.
Ik had gewild dat iemand in de rechtszaal werkelijk had gevraagd wat dwang doet met vertrouwen. Wat doet het met een mens wanneer hij weet dat zijn weigering niet werkelijk weigering is, omdat achter die weigering een machtiging staat? Wat doet het met herstel wanneer hulp begint met onderwerping? Wat doet het met waarheid wanneer de officiële notitie zwijgt over de vernederende zin? Wat doet het met iemands rust wanneer rust verdacht wordt? Zulke vragen waren niet sentimenteel. Zij waren juridisch. Zij raakten aan proportionaliteit, subsidiariteit, noodzakelijkheid, menselijke waardigheid en effectieve rechtsbescherming. Maar zij werden te vaak behandeld alsof zij buiten de kern vielen.
Ik had niet beweerd dat alle rechters kwaadwillend waren. Dat geloofde ik niet. Ik had niet beweerd dat alle psychiaters slecht waren. Dat geloofde ik evenmin. Het probleem was juist dat het systeem ook zonder kwaadwillendheid schade kon veroorzaken. Een arts kon zich verantwoordelijk voelen en toch te snel naar dwang grijpen. Een rechter kon beleefd spreken en toch de psychiatrische taal te gemakkelijk volgen. Een medewerker kon vriendelijk zijn en toch een deur gesloten houden. Een advocaat kon zijn best doen en toch te weinig tijd hebben om het dossier werkelijk te keren. Institutioneel geweld had geen slechte mensen nodig. Het had vooral routines nodig die te weinig weerstand ontmoetten.
Ik had daarom mijn getuigenis willen geven als correctie, niet als wraak. Ik wilde zeggen dat een mooi land niet alleen mooi was door landschappen, fietspaden, verzorgingsstaat en nette gebouwen. Een land was mooi wanneer het zijn macht over kwetsbare mensen niet vanzelfsprekend vond. Een land was mooi wanneer het niet tevreden was met papieren waarborgen. Een land was mooi wanneer het begreep dat psychiatrische dwang nooit routine mocht worden, nooit een administratieve stap, nooit een haastige zitting waarin het dossier zwaarder woog dan de persoon. Een land dat dwang toepaste, moest zich schamen terwijl het dat deed. Niet omdat elke noodsituatie eenvoudig was, maar omdat schaamte soms de laatste bescherming was tegen gemakzucht.
Ik had mij afgevraagd wat er nodig was. Meer tijd in zittingen. Werkelijke hoorprocedures. Onafhankelijke contra-expertise. Rechters die denigrerende opmerkingen niet konden laten verdwijnen in “niet vermelden”. Proces-verbalen die ook de atmosfeer van de zitting recht deden wanneer die atmosfeer relevant was voor de waardigheid van betrokkene. Minder gewicht voor oude dossiers. Een volwaardig hoger beroep. Kritischer toetsing van medicatiedwang. Een verplicht onderzoek naar de schade die dwang zelf veroorzaakt. Advocaten die niet alleen juridisch verweer voerden, maar ook de taal van de cliënt terugbrachten in de rechtszaal. Klinieken die dwang niet evalueerden als incident, maar als mogelijk institutioneel falen.
Ik wist dat sommige mensen mijn woorden overdreven zouden vinden. Zij zouden zeggen dat gevaar soms echt was, dat professionals moeilijke keuzes moesten maken, dat rechters niet alles konden controleren, dat de meeste mensen hun best deden. Misschien hadden zij op onderdelen gelijk. Maar mijn getuigenis ging niet over hun goede bedoelingen. Het ging over de ervaring van iemand die de onderkant van die goede bedoelingen had gevoeld. De vraag was niet of het systeem soms hielp. De vraag was of het systeem voldoende luisterde wanneer het schaadde. Een rechtsstaat die alleen luistert naar zijn successen, leert niets over zijn grenzen.
Ik was blijven houden van het land, maar niet meer onschuldig. Ik zag nog steeds het licht boven de rivier. Ik liep nog steeds door straten waar kinderen naar school fietsten en ouderen hun hond uitlieten. Ik kon nog steeds ontroerd raken door de alledaagse vrede van een Nederlands dorp op een late middag. Maar onder die vrede lag nu mijn kennis. Ik wist dat hetzelfde land deuren had waarachter vrijheid ophield. Ik wist dat dezelfde rechtsstaat die zichzelf prees om bescherming, bescherming kon verwarren met beheersing. Ik wist dat dezelfde samenleving die sprak over autonomie, mijn autonomie tijdelijk had behandeld als symptoom.
Daarom had ik dit testimonium geschreven. Niet om het land af te schrijven, maar om het aan zichzelf te herinneren. Een mooi land mocht slechte psychiatrie niet verbergen achter goede bedoelingen. Een mooi land mocht slechte rechtsbescherming niet accepteren omdat er formeel een advocaat en een rechter waren. Een mooi land mocht slechte rechtspraak niet reduceren tot incidenten wanneer denigrerende opmerkingen, psychiatriserende interpretaties en niet-genoteerde zinnen het vertrouwen in de procedure aantastten. Een mooi land moest de stemmen horen van mensen die dwang hadden ervaren en daarna moesten leven met de resten ervan.
Ik had geleerd dat vrijheid niet alleen betekende dat de deur openstond. Vrijheid betekende ook dat mijn verhaal niet bij voorbaat werd ingelijfd door de taal van anderen. Vrijheid betekende dat ik rustig mocht zijn zonder verdacht te worden. Vrijheid betekende dat ik scherp mocht antwoorden op een vernederende opmerking zonder dat mijn antwoord tegen mij werd gebruikt terwijl de opmerking zelf verdween. Vrijheid betekende dat een rechter mijn stem niet beschouwde als bijlage bij het dossier, maar als bron van waarheid. Vrijheid betekende dat hulp niet begon met het afnemen van macht. Vrijheid betekende dat een mooi land niet alleen mooi was voor wie zonder dossier door de straten liep, maar ook voor wie al eens achter een gesloten deur had gestaan en toch burger bleef.
Dat was uiteindelijk alles wat ik had willen zeggen. Ik had in een mooi land geleefd. Ik had daar slechte psychiatrie ervaren, slechte rechtsbescherming, slechte rechtspraak en slechte dwangervaringen in de kliniek. Ik had denigrerende woorden gehoord waar waardige toetsing had moeten zijn. Ik had gezien hoe een rechterlijke opmerking kon verdwijnen terwijl mijn reactie bleef kleven. Ik had ervaren hoe rust verdacht kon worden en hoe latentie als juridisch spook boven mijn vrijheid kon hangen. Ik had gezien hoe zorgtaal vrijheid kon verkleinen en hoe een dossier een mens kon overschrijven. Maar ik had ook gezien dat getuigenis een vorm van terugkeer kon zijn. Door te spreken was ik niet meer alleen betrokkene. Ik werd weer iemand die herinnerde, formuleerde, oordeelde en zich verzette tegen de stilte waarin dwang het liefst verdween.
Heeft u een Wvggz-ervaring die iets laat zien over dwang, dossiermacht of rechtsbescherming?
Recht op Geest documenteert ervaringen en beschikkingen rond psychiatrische dwang, medische verklaringen, rechterlijke toetsing en tegenspraak.