Wvggz · OM, verzoekschrift en veiligheidsframe

De officier van justitie in de Wvggz

De zorgmachtiging is formeel geen strafzaak. Toch begint zij vaak met een bekende, geladen formule: op verzoek van de officier van justitie. Daarmee wordt een civiele vrijheidsprocedure binnengeleid via een instituut dat in het publieke bewustzijn staat voor vervolging, gevaar, openbare orde en strafrechtelijke handhaving.

De patiënt tegenover het OM

Wie een Wvggz-beschikking leest, ziet vaak bovenaan dat de procedure is begonnen op verzoek van de officier van justitie. Daaronder staat de betrokkene. Niet verdachte. Niet gedaagde. Niet veroordeelde. Toch verschijnt hij tegenover een verzoeker die in de Nederlandse rechtsorde primair wordt geassocieerd met strafvervolging.

Juristen zullen zeggen: de procedure is civiel, de rechter beslist, de zorgmachtiging is geen straf en de criteria staan in de wet. Dat is formeel juist. Maar institutionele ervaring is niet alleen formeel. Voor de burger telt ook de scène: wie draagt het verzoek, welke gegevens zijn verzameld, welke taal wordt gebruikt, welke autoriteit kleeft aan het dossier?

In de Wvggz wordt een medische en sociale kwestie via een justitieel knooppunt aan de civiele rechter voorgelegd. Dat knooppunt is niet neutraal. Het OM brengt de geur van staatsmacht mee. De patiënt wordt niet vervolgd, maar hij wordt wel door het vervolgingsapparaat richting rechter gebracht.

De Wvggz is geen strafrecht. Juist daarom moet zij niet gaan ruiken naar strafrecht.

Geen simpele breuk met de Bopz

Het is historisch te grof om te zeggen dat de oude Wet Bopz de officier van justitie helemaal niet kende. Ook onder de Bopz speelde de officier een rol bij machtigingen en voortzetting van inbewaringstelling. De Wvggz heeft de officier dus niet uit het niets binnengebracht.

Het verschil zit in intensiteit, zichtbaarheid en informatiearchitectuur. De Wvggz is niet alleen een opnamewet. Zij maakt verplichte zorg mogelijk in bredere vormen: opname, ambulante zorg, medicatie, toezicht, beperkingen, onderzoek, controle en andere inbreuken. Daardoor staat het OM niet alleen aan de poort van opname, maar aan de poort van een ruimer repertoire van dwang.

De Wvggz is bovendien ontstaan in een klimaat van ketendenken, veiligheidsdenken, incidentenpolitiek en zorgen over mensen met verward gedrag. De Raad van State signaleerde in 2016 al kritisch dat het OM een actieve regierol binnen de verplichte GGZ zou krijgen en dat niet duidelijk was hoe structureel zou worden gewaarborgd dat het OM die rol adequaat kon vervullen. Dat is geen detail. Dat is precies de rechtsstatelijke zenuw.

Wat doet de officier?

Een aanvraag om een zorgmachtiging voor te bereiden komt bij de officier van justitie binnen, bijvoorbeeld via zorgaanbieder, gemeente, geneesheer-directeur, beroepsmatige zorgverlener of politie. De officier beslist of hij de voorbereiding start. Daarna wijst hij een geneesheer-directeur aan.

In de voorbereiding verstrekt de officier informatie over de patiënt, waaronder eerdere machtigingen, zelfbindingsverklaringen en, waar relevant, politiegegevens en justitiële gegevens. De geneesheer-directeur organiseert vervolgens het zorginhoudelijke traject: medische verklaring, zorgplan, zorgkaart, eigen plan van aanpak en advies. Het volledige dossier gaat terug naar de officier. Daarna beslist de officier of hij het verzoekschrift bij de rechter indient.

Dat verzoekschrift moet de rechter in staat stellen de wettelijke criteria te toetsen: psychische stoornis, gedrag dat leidt tot ernstig nadeel, causaal verband, ontbreken van vrijwillige zorg, proportionaliteit, doelmatigheid, subsidiariteit en concrete noodzaak van de gevraagde zorgvormen.

De cruciale vraag is: verricht de officier hier een zelfstandige legaliteitstoets, of geeft hij vooral staatsrechtelijk zwaarder papier aan een verzoek dat materieel door de zorgketen is gebouwd?

Legaliteitsfilter of ketenversterker

De officier kan in de Wvggz twee rollen spelen. De eerste is rechtsstatelijk: hij is legaliteitsfilter. Hij staat tussen zorgketen en rechter en voorkomt dat elk institutioneel verlangen naar dwang automatisch een verzoekschrift wordt. Hij vraagt of het ernstig nadeel concreet is, of de causaliteit klopt, of vrijwillige alternatieven werkelijk zijn onderzocht, of de medische verklaring niet circulair is en of de gevraagde zorgvormen niet te breed zijn.

De tweede rol is ketenmatig: de officier is versterker. Hij verzamelt of faciliteert informatie, geeft het dossier justitieel gewicht, vult ontbrekende schakels aan en dient het verzoek in. Dan staat hij niet tussen zorgketen en rechter, maar vóór de zorgketen. Hij wordt de staatsrechtelijke arm waarmee de instelling haar dwangverzoek bij de rechter brengt.

De wet suggereert de eerste rol. De praktijk dreigt de tweede te produceren. Dat komt door routine, capaciteit, informatienabijheid en deskundigengezag. De officier beschikt meestal niet over eigen psychiatrische expertise en leunt op het zorgdossier. De tegenspraak van betrokkene komt vaak laat. Zo groeit het verzoek van binnenuit voordat het werkelijk is bevraagd.

Een rechtsstatelijke officier vraagt daarom niet alleen: kan ik dit verzoek indienen? Hij vraagt: waarom zou ik dit verzoek níet indienen?

Het justitiële frame

Het onderscheid tussen juridisch en justitieel is beslissend. Een juridisch kader vraagt naar rechten, criteria, proportionaliteit, subsidiariteit, rechterlijke toetsing en bescherming tegen te ruime staatsmacht. Een justitieel kader vraagt naar risico, meldingen, politiecontacten, escalatie, signalen, incidenten en voorkoming van verwijt achteraf.

De Wvggz hoort juridisch te functioneren. Door de centrale verzoekersrol van het OM kan zij justitieel gaan ademen. Dan verschuift de bewijstaal: lijden wordt gedrag, gedrag wordt risico, risico wordt gevaar en gevaar wordt dwang. De betrokkene is formeel patiënt, maar wordt materieel risicodrager. Zijn eerdere conflicten worden patroon. Zijn wantrouwen wordt symptoom. Zijn verzet wordt escalatie-indicator.

Dat is gevaarlijk omdat de Wvggz geen strafrechtelijke waarborgen kent. Er is geen tenlastelegging, geen bewezenverklaring, geen delictsomschrijving en geen schuldvraag. Toch kunnen vrijheid, lichamelijke integriteit, huisrecht, privacy en zelfbeschikking diep worden geraakt. Juist waar geen strafrecht geldt, moet het strafrechtelijke frame buiten de deur worden gehouden.

Politiegegevens als dossierrook

De Wvggz maakt ruimte voor het gebruik van politiegegevens en justitiële gegevens wanneer die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van ernstig nadeel en te leveren zorg. Op papier klinkt dat rationeel: de rechter moet een compleet beeld krijgen. In de praktijk kan het dossier daardoor besmet raken met registratietaal.

Een politiemutatie is niet hetzelfde als bewezen feit. Zij kan een melding bevatten, een korte observatie, een samenvatting vanuit één perspectief, een conflict zonder wederhoor of een interpretatie onder tijdsdruk. In het strafrecht zou zo'n gegeven onderwerp kunnen worden van bewijsdiscussie. In de Wvggz kan het als risicosignaal het zorgdossier binnengaan.

Een burenmelding wordt dan "overlast". Een woordenwisseling wordt "agressieve houding". Niet opendoen voor politie wordt "zorgmijding". Protest tegen bemoeienis wordt "achterdocht". Een sepotzaak wordt "justitiële voorgeschiedenis". De taal van registratie heeft een neiging tot verharding.

Daarom hoort ieder belastend politie- of justitiegegeven een herkomsttoets te krijgen: wie bracht het in, wanneer ontstond het, is het waarneming of melding, verdenking of veroordeling, actueel of oud, betwist of erkend, relevant voor ernstig nadeel of slechts sfeer? Zonder die toets ontstaat politierook: niet hard genoeg voor strafrechtelijk bewijs, wel zwaar genoeg om de rechterlijke intuïtie te beïnvloeden.

De afwezige verzoeker

De wet formuleert aanwezigheid van de officier ter zitting als uitgangspunt: hij is aanwezig, tenzij evident is dat nadere toelichting of motivering niet nodig is. In de praktijk verschijnen veel beschikkingen met de standaardformule dat de officier niet aanwezig is omdat hij toelichting niet nodig acht.

Dat is ongemakkelijk. De officier vraagt om een machtiging die diep kan ingrijpen, maar verschijnt vaak niet om het verzoek te verdedigen. Hij geeft het verzoek justitieel gewicht, maar laat de mondelinge confrontatie over aan psychiater, zorgverantwoordelijke of geneesheer-directeur. Voor betrokkene voelt dat als een schaduwpartij: sterk genoeg om het verzoek te dragen, afwezig genoeg om niet bevraagd te worden.

Afwezigheid kan niet worden gered door te zeggen dat minder OM in de zaal minder criminaliserend is. Als het OM verzoeker is, moet het verantwoordelijkheid dragen. Wie vraagt, moet uitleggen. Bij betwiste feiten, politiegegevens, verplichte medicatie, opname, principieel verweer of kritiek op het eigen plan van aanpak is toelichting zelden evident overbodig.

Quasi-strafrecht

Quasi-strafrecht ontstaat wanneer een procedure formeel geen strafrecht is, maar wel strafrechtelijke kenmerken krijgt: justitieel initiatief, politiegegevens, risicotaal, openbare-ordeframe, verdenkingsachtige dossiers en vrijheidsbeperking. De betrokkene wordt niet veroordeeld, maar wel behandeld als maatschappelijke risicodrager.

Het begrip "ernstig nadeel" maakt dit risico groter. Het is ruimer en elastischer dan het oude Bopz-gevaar. Juist daarom moet het streng worden toegepast. Anders wordt ernstig nadeel een juridische spons waarin overlast, irritatie, onconventionaliteit, conflict, armoede, woningproblemen, trauma, een beschadigde behandelrelatie en gewone menselijke woede worden opgezogen.

Wanneer het OM die spons vasthoudt, verschuift de procedure. De vraag wordt minder: wat heeft deze persoon nodig? En meer: wat moeten wij voorkomen? Wie eenmaal preventie-object wordt, verliest snel de status van rechtssubject.

De ketenrechter

De rechter is de beslissende waarborg. Hij kan afwijzen, beperken, aanhouden of nader onderzoek vragen. Maar ook de rechter staat onder frame-druk. Het dossier is dikker dan de zitting lang is. De psychiater spreekt professioneel. De instelling spreekt in continuïteitstaal. Het OM draagt procedureel gezag. De betrokkene is mogelijk boos, vermoeid, wantrouwend of gekwetst.

Dan dreigt ketencomfort: de neiging om een goed gevuld dossier te verwarren met een goed onderbouwd verzoek. Een dossier kan dik zijn en toch zwak. Het kan veel incidenten bevatten en toch geen causaal verband aantonen. Het kan veel zorgtaal bevatten en toch geen werkelijk alternatiefonderzoek tonen.

Een civiele hoeder van de vrijheid vraagt: wat is het actuele ernstige nadeel? Welke feiten zijn betwist? Welke gegevens komen uit politie of justitie? Zijn zij betrouwbaar en relevant? Welke vrijwillige opties zijn geprobeerd? Waarom is het eigen plan van aanpak onvoldoende? Welke zorgvormen zijn echt noodzakelijk? Waarom is de officier afwezig als het verzoek wordt betwist?

Een ketenrechter vraagt vooral: is de keten het erover eens dat dit nodig is? In Wvggz-zaken is juist die vraag gevaarlijk. De keten kan het eens zijn en toch ongelijk hebben.

Artikel 2.3 Wfz

De vermenging van zorg en straf wordt nog scherper via artikel 2.3 Wet forensische zorg. Via dat artikel kan de strafrechter onder voorwaarden een civiele machtiging voor verplichte zorg afgeven. Dat kan zinvol zijn wanneer zorg passender is dan strafrechtelijke voortzetting. Maar het vergroot ook de hybride macht over de betrokkene.

De patiënt kan dan verdachte én betrokkene zijn, strafobject én zorgobject, schuldsubject én risicosubject. De zorgmachtiging mag geen sluiproute worden voor wat strafrechtelijk niet kan worden bewezen of voor beveiligingsdoelen die in zorgtaal worden verpakt. Als tbs te zwaar is, detentie niet helpt of vrijspraak ongemakkelijk voelt, mag verplichte zorg niet het bestuurlijke vangnet worden.

Zorg heeft therapeutische legitimatie. Straf heeft normatieve legitimatie. Beveiliging heeft preventieve legitimatie. Wanneer die drie door elkaar lopen, kan de staat telkens kiezen welke taal op dat moment het beste uitkomt. Dat is precies waarom de rechter de grenzen streng moet bewaken.

Strategie voor advocaat en betrokkene

Een sterk verweer begint met het scheiden van registers. Laat zorg, veiligheid, straf, overlast en maatschappelijk ongemak niet in één wolk verdwijnen.

Een bruikbare formulering op zitting is:

De officier is verzoeker. Betrokkene betwist de feiten, de herkomst van de politiegegevens en de noodzaak van de gevraagde zorgvormen. Dan is niet evident dat toelichting van de verzoeker overbodig is. Wij verzoeken aanhouding of ten minste een gemotiveerde beslissing op dit punt.

Praktijknormen

Een rechtsstatelijke Wvggz-praktijk vraagt om heldere normen. De standaardzin dat de officier toelichting niet nodig acht, zou onvoldoende moeten zijn bij betwisting. De rechter moet motiveren waarom afwezigheid aanvaardbaar is. Wanneer politie- of justitiële gegevens relevant zijn, moet de officier aanwezig zijn om die gegevens te verantwoorden.

Elk verzoekschrift zou bovendien een herkomstmatrix moeten bevatten: per belastend feit staat vermeld of het afkomstig is van betrokkene, familie, gemeente, politie, zorgverlener, eerdere beschikking, medische verklaring of andere bron. Zo wordt zichtbaar welke feiten medisch zijn, welke sociaal, welke justitieel en welke interpretatief.

De rechter zou aan het begin van de zitting expliciet moeten deframen: dit is geen strafzaak, betrokkene is geen verdachte, politiegegevens zijn niet automatisch bewijs, medische taal is niet automatisch waarheid, en het verzoek wordt zelfstandig getoetst.

Ten slotte moet betrokkene een effectieve mogelijkheid hebben om keteninformatie te corrigeren vóórdat het verzoekschrift naar de rechter gaat. Wederhoor dat pas komt nadat het dossier al zijn richting heeft gekozen, is vaak te laat.

Conclusie

De Wvggz is formeel civiel, maar via de rol van het OM blootgesteld aan een justitieel veiligheidsframe. Dat frame is niet automatisch onrechtmatig, maar wel gevaarlijk. Het kan de patiënt veranderen in een risicodossier, de zorgvraag in een openbare-ordevraag, de medische verklaring in quasi-bewijs en het verzoekschrift in een aanklacht zonder tenlastelegging.

De officier van justitie kan twee gezichten hebben. Het ene is dat van staatsmacht die de patiënt naar de rechter brengt. Het andere is dat van rechtsstatelijke poortwachter die voorkomt dat dwang te gemakkelijk wordt gevraagd. De toekomst van de Wvggz hangt mede af van welk gezicht de praktijk kiest.

Een zorgmachtiging is geen veiligheidsmaatregel van het OM, maar een uitzonderlijke civiele machtiging tot verplichte zorg.

Alles wat daarvan afleidt, moet worden teruggeduwd: politierook, ketencomfort, afwezige verzoekers, standaardformules, dossierstapeling en risico-esthetiek. Niet omdat veiligheid onbelangrijk is, maar omdat vrijheid nooit mag worden opgeofferd aan een frame.

Bronnen en verder lezen