Testimonium · Wvggz en BOPZ

Met 3-0 achter bij aanvang

R. beschrijft hoe Wvggz-zittingen, en eerder BOPZ-zittingen, voor hem voelden als procedures waarin het dossier al had gesproken voordat hij zelf aan het woord kwam.

Persoonlijk testimonium. Deze tekst is geschreven vanuit het perspectief van R. en beschrijft zijn ervaring van psychiatrische dwangprocedures. Het is geen medisch of juridisch advies.

Ik wist al voordat de zitting begon dat ik niet binnenkwam als mens, maar als dossier.

Dat is misschien het moeilijkste om uit te leggen aan iemand die nooit in een Wvggz-zitting heeft gezeten, of vroeger een BOPZ-zitting: je denkt dat je naar de rechter gaat om gehoord te worden. Je denkt dat er een open vraag ligt. Is verplichte zorg nodig? Klopt het verhaal? Zijn er alternatieven? Is het gevaar werkelijk zo acuut als wordt beweerd? Maar op het moment dat je binnenkomt, voel je dat die vragen al grotendeels beantwoord zijn. Niet door jou. Niet na een werkelijk gesprek. Maar door het dossier.

En dat dossier zit daar al.

Het ligt op tafel. Het zit in het hoofd van de rechter. Het spreekt door de psychiater. Het wordt samengevat door de advocaat. Het ademt in de ruimte voordat jij iets hebt gezegd.

Ik had steeds het gevoel dat ik met 3-0 achter stond bij aanvang. Een-nul omdat ik patiënt was. Twee-nul omdat de psychiater als deskundige werd gezien. Drie-nul omdat het dossier al een versie van mij had gemaakt die sterker was dan ikzelf.

Die versie noem ik mijn dossierdubbelganger.

Mijn dossierdubbelganger lijkt op mij, maar is mij niet. Hij heeft mijn naam, mijn geboortedatum, mijn oude incidenten, mijn diagnoses, mijn slechtste momenten, mijn woorden in crisistijd, mijn conflicten met hulpverleners, mijn wantrouwen, mijn weigeringen, mijn boosheid. Maar hij heeft niet mijn context. Niet mijn ontwikkeling. Niet mijn herstel. Niet mijn redenen. Niet mijn angst voor dwang. Niet mijn uitleg. Niet mijn kant van het verhaal.

Die dubbelganger leeft in formulieren. Hij wordt steeds opnieuw opgeroepen. Hij veroudert niet zoals een mens veroudert. Hij leert niets bij. Hij wordt niet milder. Hij krijgt geen tweede kans. Hij blijft beschikbaar als bewijs.

Als ik op een zitting zei: dat is jaren geleden, dan werd er geknikt, maar het bleef toch liggen. Als ik zei: dat was in een heel andere situatie, bleef het toch meetellen. Als ik zei: daar is nooit goed naar mijn kant gekeken, stond het toch zwart op wit. En zwart op wit wint vaak van een stem in de kamer.

De psychiater trad voor mijn gevoel niet op als behandelaar, maar als aanklager.

Dat woord kies ik bewust. Niet omdat elke psychiater kwade bedoelingen heeft. Niet omdat er nooit zorgen kunnen zijn. Maar omdat de rol op zo'n zitting voor mij niet voelde als zorgvuldig onderzoek. Het voelde als requisitoir. De psychiater presenteerde een zaak tegen mij. Oude feiten werden opgerakeld, soms zo oud dat ze in elk normaal menselijk contact allang hun kracht hadden verloren. Maar in de Wvggz kregen ze opnieuw juridische energie.

Een incident van jaren terug. Een conflict met een behandelaar. Een opname uit een vorige periode. Een opmerking in een crisis. Een weigering van medicatie. Een keer dat ik boos was geworden. Een keer dat ik niet op een afspraak kwam. Alles werd onderdeel van een patroon. En dat patroon had maar een richting: R. is een risico.

Niet: R. heeft dit meegemaakt.

Niet: R. reageert zo omdat eerdere dwang schade heeft gedaan.

Niet: R. vertrouwt het systeem niet omdat het systeem hem vaker heeft platgedrukt.

Niet: R. betwist de diagnose op inhoudelijke gronden.

Niet: R. wil hulp, maar niet onder bedreiging.

Nee. R. heeft onvoldoende ziekte-inzicht. R. is zorgmijdend. R. is bekend met ontregeling. R. kan decompenseren. R. vormt een risico op ernstig nadeel.

Dat klinkt neutraal, maar het is niet neutraal. Het is geladen taal. Het is taal die de uitkomst al voorbereidt.

Want hoe verdedig je je tegen woorden als "risico" en "ernstig nadeel"? Als je rustig blijft, heet het soms oppervlakkige presentatie. Als je boos wordt, bevestig je de zorgen. Als je huilt, ben je instabiel. Als je zwijgt, werk je niet mee. Als je te precies antwoordt, ben je achterdochtig of juridiserend. Als je zegt dat het dossier niet klopt, heb je geen inzicht. Als je zegt dat je geen gevaar bent, ontken je het risico.

Dat is het kafkaeske: elke beweging die je maakt, kan in het systeem worden opgenomen als bevestiging van de noodzaak van datzelfde systeem.

Ik herinner mij zittingen waarin ik probeerde uit te leggen dat het dossier niet alleen onvolledig was, maar actief vervormend. Niet per se door een grote leugen, maar door duizend kleine selecties. Dingen die wel werden opgeschreven. Dingen die niet werden opgeschreven. Woorden die werden gekozen. Context die verdween.

Als ik een afspraak miste, stond er: "komt afspraken niet na." Niet: afspraak viel samen met paniek, bijwerkingen, wantrouwen na eerdere dwang, of simpelweg uitputting. Als ik medicatie weigerde, stond er: "medicatieontrouw." Niet: R. ervaart zware bijwerkingen en wil een serieus gesprek over alternatieven. Als ik kritiek had op de behandeling, stond er: "gebrek aan ziekte-inzicht." Niet: R. betwist concreet dat deze behandeling passend is.

Het dossier lijkt objectief omdat het administratief is. Omdat het in professionele taal is geschreven. Omdat het met vaste termen werkt. Maar een dossier is geen spiegel. Het is een constructie. En in mijn geval voelde het als een constructie waarin mijn menselijkheid langzaam was weggesneden.

Ik zat daar als persoon van vlees en bloed, maar tegenover mij zat mijn papieren versie. Die papieren versie was gevaarlijker, zieker, onredelijker en minder geloofwaardig dan ik. En de rechter leek vooral die versie te kennen.

Dat is de 3-0 achterstand.

De psychiater had het dossier. De rechter had het dossier. De advocaat moest in korte tijd proberen iets tegenover dat dossier te zetten. En ik moest in een paar minuten uitleggen waarom jaren aan papier mij niet volledig beschreven.

Probeer dat maar eens.

Probeer in een zitting uit te leggen dat een feit waar kan zijn, maar de betekenis ervan toch onwaar. Ja, ik ben boos geweest. Nee, dat betekent niet dat ik gevaarlijk ben. Ja, ik heb zorg geweigerd. Nee, dat betekent niet dat ik geen enkele hulp wil. Ja, ik ben opgenomen geweest. Nee, dat betekent niet dat elke toekomstige vrijheid onverantwoord is. Ja, ik heb een diagnose gekregen. Nee, dat betekent niet dat elk bezwaar tegen medicatie een symptoom is.

Maar zulke nuances zijn kwetsbaar. Ze kosten tijd. Ze vragen aandacht. Ze vragen een rechter die niet alleen luistert naar de deskundige, maar ook naar de machtsverhouding waarin die deskundigheid verschijnt.

In plaats daarvan voelde het vaak alsof de zitting een ritueel was. Iedereen speelde zijn rol. De psychiater lichtte toe. De advocaat maakte bezwaar. Ik mocht iets zeggen. De rechter stelde een paar vragen. Daarna werd beslist dat de machtiging nodig was, want de medische verklaring, het ernstig nadeel, de noodzaak, het ontbreken van alternatieven.

Die woorden kwamen telkens terug. Alsof ze vanzelf bewijzen waren.

Maar "ernstig nadeel" is geen feit zolang niet concreet wordt gemaakt welk nadeel, voor wie, hoe waarschijnlijk, op basis waarvan, en waarom minder ingrijpende hulp niet genoeg is. "Geen alternatieven" is geen feit als alternatieven nooit serieus zijn geprobeerd. "Ziekte-inzicht ontbreekt" is geen feit als mijn inhoudelijke bezwaren niet werkelijk zijn onderzocht. "Zorgmijding" is geen feit als het systeem nooit vraagt waarom iemand bang is geworden voor zorg.

Wat mij woedend maakt, is dat oude feiten in zo'n systeem nooit echt sterven. Voor de buitenwereld geldt verjaring soms als beschaving: mensen mogen niet eindeloos vastzitten aan alles wat ooit is gebeurd. Maar in een psychiatrisch dossier kan het verleden telkens opnieuw worden opgegraven. Niet als geschiedenis, maar als voorspelling. Niet als context, maar als aanklacht.

De psychiater hoefde niet te zeggen: R. heeft vandaag dit concrete gevaar veroorzaakt. Het was genoeg om een lijn te trekken door oude momenten en te zeggen: zie je wel, patroon.

Een mens noemt dat verleden.

Een dossier noemt dat risico.

En zodra iets risico heet, wordt vrijheid verdacht.

Ik heb mij vaak afgevraagd of de rechter begreep wat het betekent om tegenover je eigen dossier te zitten. Dat je niet alleen antwoord geeft op vragen, maar vecht tegen een beeld dat al vaststaat. Dat je niet alleen moet aantonen dat je nu redelijk bent, maar ook moet ontsnappen aan alle eerdere momenten waarop je volgens anderen niet redelijk was. Dat je niet alleen aanwezig bent als jezelf, maar als verdachte van je eigen psychiatrische geschiedenis.

Het woord "aanklager" blijft terugkomen omdat de psychiater de feiten selecteerde alsof hij een zaak moest bewijzen. Niet: hier zijn de onzekerheden. Niet: hier zijn de punten die R. terecht betwist. Niet: hier is wat wij niet weten. Niet: hier is waar het dossier mogelijk eenzijdig is. Maar: hier is waarom de machtiging nodig is.

Dat is geen neutrale positie. Dat is een procespositie.

En toch krijgt die positie het masker van objectiviteit.

Ik verlang niet dat een rechter psychiaters negeert. Dat zou onzin zijn. Natuurlijk kan psychiatrische expertise belangrijk zijn. Natuurlijk kunnen er situaties zijn waarin ernstig gevaar bestaat. Natuurlijk kan iemand in crisis hulp nodig hebben, zelfs wanneer hij dat zelf niet goed ziet.

Maar juist omdat de gevolgen zo zwaar zijn, moet de toets scherper zijn. Dwang is geen kleine interventie. Het gaat over lichaam, vrijheid, woning, medicatie, contact, beweging, waardigheid. Wie zulke macht krijgt over een ander mens, moet meer leveren dan professioneel klinkende zekerheid.

De rechter zou moeten vragen: wat is feit en wat is interpretatie? Welke informatie komt direct van R.? Welke informatie komt uit oude dossiers? Welke feiten zijn verjaard in menselijke zin, ook als ze administratief nog bestaan? Welke bezwaren heeft R. concreet aangevoerd? Waarom zijn die verworpen? Is het risico actueel, of vooral historisch? Zijn alternatieven werkelijk geprobeerd? Is vrijwilligheid onmogelijk, of alleen lastig?

Voor mijn gevoel gebeurde dat te weinig.

Wat ik me herinner, is de snelheid. De vanzelfsprekendheid. De manier waarop mijn verweer door het dossier werd opgeslokt. Alsof ik niet sprak om gehoord te worden, maar om opnieuw geclassificeerd te worden.

Dat is het ergste aan de dossierdubbelganger: hij wint zelfs wanneer jij spreekt. Want jouw woorden worden toegevoegd aan zijn bestaan. Je verzet wordt onderdeel van zijn profiel. Je wantrouwen wordt bewijs dat je wantrouwend bent. Je boosheid over onrecht wordt bewijs van ontregeling. Je poging om precies te zijn wordt bewijs van fixatie.

Zo ontstaat een papieren persoon die steeds sterker wordt en steeds minder met jou hoeft te overleggen.

Ik wil dat mensen begrijpen dat dit geen technisch probleem is. Het is geen administratieve slordigheid. Het is een machtsprobleem.

Wie het dossier schrijft, bepaalt de eerste werkelijkheid. Wie de medische taal beheerst, bepaalt het kader. Wie als deskundige spreekt, krijgt voorsprong. Wie als patiënt spreekt, moet eerst bewijzen dat zijn spreken meetelt.

Daarom voelde ik mij met 3-0 achter.

Niet omdat ik altijd gelijk had. Niet omdat elke zorgverlener fout zat. Maar omdat de wedstrijd al begonnen was voordat ik het veld op mocht. De regels waren geschreven in taal die niet de mijne was. De scheidsrechter las vooraf het verslag van de tegenpartij. En mijn eerdere nederlagen werden gebruikt als bewijs dat ik deze wedstrijd opnieuw moest verliezen.

Wat ik had gewild, was eenvoudig en tegelijk zeldzaam: een rechter die het dossier niet verwart met de werkelijkheid. Een rechter die de psychiater niet behandelt als aanklager met een witte jas, maar als deskundige wiens oordeel gecontroleerd moet worden. Een rechter die begrijpt dat oude feiten niet eindeloos als munitie mogen dienen. Een rechter die ziet dat een mens meer is dan zijn slechtste bladzijde.

Ik wilde niet heilig verklaard worden. Ik wilde niet dat zorgen werden weggewuifd. Ik wilde dat het systeem even kritisch naar zijn eigen verhaal keek als naar het mijne.

Want zolang dat niet gebeurt, is de Wvggz-zitting voor iemand als ik geen open toets. Het is een ritueel waarin mijn dossierdubbelganger al aanwezig is, al beschuldigd heeft, al overtuigend klinkt, en ik nog moet binnenkomen.

Dan begint de zitting niet bij nul.

Dan begint zij bij 3-0.